De deksel is gesloten

De begrafenisondernemer zegt mijn naam. Nog nooit ben ik naar voren gevraagd om te spreken in een kerk. Maar zoals het vandaag gaat, had ik het mij niet voorgesteld. Want dit is iets voor later, wanneer mijn eigen ouders de leeftijd bereiken dat het hoort: sterven.

Zes dagen eerder, zondagochtend, ging de telefoon. Op het scherm verscheen het nummer van zijn moeder, dat ik destijds – ik weet niet meer waarom – heb opgeslagen. Voor noodgevallen, misschien. Omdat Boris en ik, behalve onze vriendschap, niemand delen. ‘Lieverd’, sprak ze. Haar stem klonk gecontroleerd. Alsof ze zich voorbereidde op het startschot voor een eindsprint, of een grap. ‘Ga even zitten.’

Buiten, naast mijn huis, speelden kinderen in de aangrenzende speeltuin. Ze riepen door elkaar, schreeuwden: ‘ANNEMARIA KOEKOEK!’
Ik stond bij het aanrecht naast het open keukenraam en hoorde het wiegen van de roestige schommel. ‘Boris’, zei ze, en ik bedacht me hoe zij net als ik haar telefoon tegen haar oorschelp drukte. ‘Boris is overleden.’ Ik ben gaan zitten en hoorde haar ademhaling, zwaar aan de andere kant. ‘Een hartstilstand. Uit het niets.’

Nu sta ik vooraan, alleen achter het spreekgestoelte. Voor mij zitten de honderdvijftig aanwezigen. Naast mij, op het podium, staat zijn kist. De kist is van licht hout en zonder versieringen. De deksel is gesloten, erbovenop prijkt een hart van roze rozen. Ik weet dat zijn moeder het heeft gemaakt. De bloemen drukken elkaar uit gareel, binnen de vorm waarin ze maar net passen. Precies zo, drukte Boris mij een week eerder tegen zichzelf aan, tijdens het afscheid na mijn verjaardagsdiner. Zijn omhelzing voelde onhandig. Alsof mijn ingewanden uit mijn borstkas werden gelanceerd. Ik kon geen kant op.

Op de plek waaronder nu zijn voeten liggen staan twee ingelijste foto’s: een close-up, de ander in een tweedelig pak. Op beide foto’s draagt hij zijn haren los, glanzend vallen ze langs zijn slapen. Ik pestte hem er vaak mee. ‘Je lijkt een corpsbal’ en ‘Je doet je woonplaats, Bergen, eer aan.’ Zijn antwoord: rollende ogen. Altijd gevolgd door een glimlach.

Ik heb een brief geschreven. Zes kantjes met herinneringen aan onze avonturen. Zo gingen we met de auto naar het strand, soms middenin de nacht. Zittend in het zand beklaagden we ons over alles dat stom was: onoprechtheid, deadlines, liedjes die niet uit je hoofd verdwijnen. Ik vertel de kerk over onze studietijd in Berlijn. Dat Boris vroeg: ‘Jij schrijft je scriptie over Marlène Dietrich? Dan gaan we haar bezoeken ook.’ Ik weet nog hoe Boris mij in zijn zwartfluwelen pak hees en een pruik op mijn hoofd duwde. Onderweg naar de metro kocht hij de goedkoopste fles champagne. ‘We zullen toasten op Dietrichs graf.’

Dat alles vertel ik. Voor Boris, en voor mezelf. Maar overwegend voor zijn moeder die op de eerste rij zit, haar blik nu naar mij opgericht. En terwijl ik een stilte laat vallen voordat ik mijn rede afrond, opent zijn moeder haar mond. ‘Annemaria’ echoot het door de kerk. Dan achter mij, glashelder: ‘koekoek.’

Nachtmonologen – Illustrator Bonne Steinz

Nachtmonologen is een vaste rubriek van I Amsterdam. Hier lees je de verhalen van onze stadbewoners ná middernacht. Van kroegbazen tot kleinkunst-artiesten, van wc-juffen tot dansers, en illustratoren tot opmerkelijke buren.

Beeld: Roos Mattijsen

Illustrator Bonne Steinz (22) lijkt op een jongere versie van Nina Hagen. Met een kapsel in twee kleuren en een tatoeage van Pipi’s Villa Kakelbont op haar onderarm is ze een opvallende verschijning. Alles aan Bonne is kleurrijk, zo ook de tekeningen en animaties waar ze dagelijks, maar vooral ’s nachts, aan werkt. “Ik hou ervan op te gaan in mijn eigen gecreëerde wereld. Thuis, in mijn slaapkamer, omringd door tekenspullen en verf.”

Van jongs af aan heeft Bonne een donkere en een lichte kant. “Ik kan extreem blij en hyper zijn aan de buitenkant. Toch voel ik me vanbinnen vaak het tegenovergestelde, somber en verdrietig. Dat gevoel begon als tiener. Ik was gothic en viel buiten de boot. Ik zat in een voortdurende tweestrijd: erbij horen of mezelf zijn. Ik kreeg een burn-out en stopte met school.” In haar twee tussenjaren dacht ze na over wat ze zelf wilde. “Thuis deed ik altijd rare hoedjes op en trok ik kleurrijke kleding aan. Waarom kon ik dat niet ook op straat dragen? In diezelfde periode ben ik op illustreren gaan focussen en ontwikkelde een eigen tekenstijl.”

Fantasiewereld

Naar Bonnes tekeningen blijf je kijken, minuten achtereen, om telkens weer een nieuw detail te ontdekken. Haar werk is sprookjesachtig. Het voelt aan als verdwalen in een kinderlijke fantasiewereld bomvol kleur. “Mijn tekeningen zijn moeilijk in één woord te vatten. Ze houden het midden tussen mijn eigen verbeelding, nostalgische gevoelens en dromen. Tegelijk doet het denken aan het circus en het betreden van een speelgoedwinkel. Ik houd van gekke, onverwachte voorwerpen. Een vliegtuig aan het plafond, een giraf in de hoek van de kamer of limonadeglazen op de bijzettafel.”

Mini-atelier

“In mijn slaapkamer heb ik een mini-atelier op broekzakformaat. Het hangt er vol lampjes en doeken, op elke vierkante centimeter staat prullaria. Tijdens het illustreren gebruik ik kleurpotloden, aquarel en acrylstiften. Ik maak eerst een schets, lijn alles uit met een fineliner en kleur het geheel in. Tijdens het tekenen sluit ik mij volledig af van de buitenwereld en creëer ik een eigen wereld.

“Ken je het Duitse woord Sehnsucht?”, vraagt Bonne mij. “Het is het constante gevoel van gemis, want zoals mijn fantasiewereld is, zo is de échte wereld niet. In mijn fantasiewereld luister ik muziek van Beach House of Jaques Brel en eet ik veel zoetigheid. Vaak test ik taartjes van mijn moeder, zij heeft een eigen chocoladetaartbedrijf.”

Villa Kakelbont

De creativiteit zit in Bonnes genen. Haar ouders ontmoetten elkaar op de Rietveld Academie. “Mijn vader heeft in de jaren negentig voor Sesamstraat geïllustreerd. Ik ben daar wel eens op de set geweest en werd toen voorgelezen door Lot. Mijn vader heeft destijds les gekregen van Carl Hollander, de tekenaar van De Kleine Kapitein en Pipi Langkous. Ze hadden een goede band met elkaar. Mijn vader heeft na zijn overlijden werk van hem geërfd.” Bonne wijst naar de tatoeage op haar onderarm. “Zo ook deze tekening van Villa Kakelbont, we hebben hem thuis aan de muur.”

Limonade in de tuinkamer

Met haar illustraties wil Bonne een bepaalde stemming overbrengen. Hoe voelt het om je in een specifieke ruimte te bevinden? “In deze tekening, getiteld ‘Limonade in de tuinkamer’, zie je een gesprek tussen twee karakters. Het zou over van alles kunnen gaan. Toch wil ik dat mensen zelf geprikkeld worden om er een verhaal bij te bedenken.” De laatste tijd oefent Bonne vooral met perspectief, de lijnen en vormen in haar werk staan voorop. “Dat zie je terug in de ramen en diepte in de kamer. Het is best lastig een plant natuurgetrouw weer te geven, of de zachtheid van een tapijt over te brengen aan de kijker. Als het aankomt op karakters teken ik vaak ‘de grote’ en ‘de kleine’. Denk aan Peppi en Kokki, Bassie en Adriaan. Meestal werk ik in duo’s, en al mijn karakters zijn altijd uniseks!”

Hollywood

In de toekomst wil Bonne naar Hollywood. “Om featurefilms te maken, die de hele wereld kan zien. Ik heb het idee dat ik écht iets te bieden heb en vind het egoïstisch om mijn eigen fantasiewereld voor mezelf te houden.” Omdat de weg naar Hollywood lang is, wil Bonne zich eerst focussen op een vervolgopleiding. Ze denkt aan de richting Animatie aan het Willem de Kooning in Rotterdam. “Natuurlijk wil ik ook stage lopen in het buitenland. De Laika Studios, die films als Coraline en The Boxtrolls maakten, lijkt me een fantastische opstap.’

 

Maar eerst blijft hij nog even staan

Aan de overkant van de straat, bij het smalle winkelpand met de blauw geschilderde kozijnen, gaat een deur open. Er stapt een vrouw naar buiten. Ze is niet meer jong, maar nog lang niet oud en wrijft de slaap uit haar ogen. In pyjama zet ze met een hand een ladder tegen de gevel, onder haar vrije arm klemt ze een emaillen bord. NEW ARRIVALS, staat er op.

Tekening door Bonne Steinz

Zeven weken geleden is Björn hier komen wonen. In de zolderkamer tegenover de winkel met Iberisch aardewerk, leren schoenen en tassen. Iedere ochtend, om iets voor negen, schuift hij zijn gordijn opzij en zet het raam open. Staand in zijn kleine keuken schept hij muesli in een kom, giet er wat melk overheen. Vanaf deze plek kan hij precies zien hoe zijn buurvrouw te werk gaat. Met een steenboor maakt ze rechts van haar deurpost een gat in de muur. Ze plaatst een haak naast het bord, hangt er een dun touw aan en bindt aan de onderkant een nieuw exemplaar laarzen. Ze slaat haar armen over elkaar en bekijkt het resultaat, wankelt op de ladder, zoekt steun tegen de muur.

Vandaag zal hij langsgaan in de winkel, dat heeft hij zichzelf voorgenomen.

Op de grens met Duitsland, waar Björn vandaan komt, deelde hij zijn appartement met een meisje van zeventien. Of hij dat niet gek vond, hadden zijn vrienden hem gevraagd. Daarover had hij wel eens nagedacht. Zijn huisgenote was dan wel jong, maar kon goed luisteren en stelde altijd de juiste vragen. Met haar stiefvader voerde ze een eigen strijd. “Voor ik vertrok”, daar keek ze ernstig bij, “molde hij het servies van oma. Mama’s halve erfenis.”

Björn dacht aan zijn eigen vader. Een man van weinig woorden.

“En ’s nachts mocht ik nooit doortrekken, want daar werd hij wakker van.”

Wat haar moeder van de situatie vond, had hij Ava gevraagd. “Die zat vooral jankend op de bank” snoof ze. “Geboren zonder ruggengraat.”

En haar echte vader?

“Dood. Longkanker. Op het laatst zat het overal.”

Björn bewonderde Ava. Om haar lef, de directe woorden, haar oeverloze eerlijkheid.

Vanmorgen is zijn buurvrouw vroeger dan anders. Turend door zijn zolderraam bestudeert hij haar. Haar rug en schouderbladen, die scherp afsteken onder de stof van haar strak zittende pyjama. De warrige haren, lichtbruin, tot op haar billen. Haar ogen, groenig met een grijze rand, al weet hij dat niet zeker, vanaf deze hoogte kan hij het niet zien.

Het valt hem op hoe ze haar wenkbrauwen fronst en zich irriteert, aan de haak die duidelijk niet diep genoeg de muur in wil. Het “Godver de Godver” dat daarop volgt en het nerveus tikken met haar voet op de stoeptegels, als een puber van vijftien die haar zin niet krijgt.

Hij kijkt weer naar buiten. Björn weet dat ze op elkaar lijken, zij tweeën. Omdat ze op dezelfde manier lachen, met kuiltjes in hun wangen en kraaienpootjes bij hun ogen. Hij denkt dat zij dat op den duur ook wel in zal zien.

Ja, straks, wanneer zijn muesli op is, gaat hij bij haar naar binnen. Om nieuwe schoenen te passen, zwarte instappers misschien. Leer dat hij op kan poetsen tot het glimt.

Het was Ava die met de suggestie kwam, die lentedag, samen in de badkamer. “Als je niet weet waar je vandaan komt, dan moet je dat uitzoeken” riep ze vanuit de douche.

Hij wilde helemaal niets uitzoeken.

Ze zeepte haar haren in met babyshampoo, want dat prikte niet in haar ogen. Zij hield van praktisch, hij van gecompliceerd. Björn dacht liever dagen na voor hij tot een besluit kwam.

Ava niet.

“Twijfelen is voor watjes. Trouwens, het is jouw beurt.”

Vluchtig trok hij zijn onderbroek uit, stapte onder de lauwwarme straal en staarde naar zijn geslacht. Hij dacht aan een naaktslak in de regen, doelloos hing het ding erbij.

“Je wil toch trots zijn?” Ze lachte naar hem via de spiegel, tekende een smiley op het beslagen glas. “Erachter komen op wie je lijkt?”

“Ja” had hij gemompeld.

Nee, had hij gedacht.

Vanaf boven is alles mooier, vindt hij. Hij herinnert zich de dag in Madurodam. Bij wijze van afscheidscadeau had hij Ava meegenomen. Ze was er nog nooit geweest. “Hier ga je straks wonen” zei ze, en ze wees. “In een wijk met poppenhuisjes.”

De eerste dagen blijft hij binnen. Naar buiten gaat hij zelden, alleen wanneer de boodschappen op raken en meestal pas na zessen. Hij leert de snelste routes uit zijn hoofd. Naar de supermarkt, de apotheek, en vindt een betrouwbare fietsenmaker. Met de eigenaar van het dichtstbijzijnde afhaalrestaurant raakt hij bevriend. Sushi, twee keer per week. Een tientje voor de combo-deal.

Terug op straat groet hij niemand. Hij vermijdt de grachten die zij neemt, weet bij welke winkels ze haar spullen koopt. Soms komt hij haar tegen in de buurt, dan slaat hij af of steekt over, kiest de stoep aan de overkant.

“Is het al gelukt?” vraagt Ava als hij haar om tien uur belt.

Hij bijt op zijn nagel, kijkt naar buiten, ziet hoe zijn buurvrouw de etalage inricht. Er staat een paspop. Een met ronde borsten en leren laarzen. Even denkt hij aan een documentaire op de VPRO, die ze samen zagen. Over de paspoppen industrie in Venezuela. Twee broers wisten alles van poppenborsten. Hoe ze van kleine appels grote meloenen moesten maken. De poppen konden niet achter blijven nu de populariteit van plastische chirurgie toenam.

“Niet echt.”

Ava blijft stil. Björn hoort haar ademhaling in de telefoon.

“Wel doen hoor.”

Ijzer over stoeptegels. Het geluid van meubels die versleept worden. Uit haar winkel haalt zijn buurvrouw een tafeltje en twee klapstoelen. Het geheel zet ze vast met een fietsslot aan de tralies van het kelderraam, haar opslagruimte. Dat van die kelder weet hij niet zeker, maar de winkel is klein en waar moet ze anders haar nieuwe collectie opbergen?

Hij pakt zijn camera en maakt foto’s. Van de aardewerken potten voor haar ingang, hoe ze de planten daarin water geeft.

Zijn buurvrouw in close-up en van opzij, het scherpstellen op haar ogen, de achtergrond wazig. Hij maakt foto’s in kleur, zwart-wit en ook sepia. In zijn wc bouwt hij een doka van broekzakformaat. Met knijpers aan een lijn laat hij ze drogen boven de pot.

Aan het voeteneind, op de muur tegenover zijn bed, maakt hij een collage.

De buurvrouw heeft inmiddels een jurk aangetrokken. Nu maakt ze een praatje. Met de gladde vent van de parfumerie. “Karl, lieverd, lekker geslapen? Laat me eens wat testen.”

“Isabel, schoonheid, voor jou altijd.”

Iedere dag, in het voorbijgaan, ruikt zijn winkel naar sandelhout. Naar noten, lavendel, rozemarijn en iets dat Björn niet kan plaatsen.

Zijn vader, denkt hij, draagt hetzelfde luchtje.

Isabels eerste klanten stappen over de drempel, prikken met hun vieze vingers in het gloednieuwe leer. Ze kijken en ze dwalen, maar er wordt niks gekocht. Ze lijkt hem het type dat het meest van haar trouwe klanten houdt, de moeders en dochters, de mannen van de gracht, strak in pak. De vaste bezoekers, hij kent ze allemaal.

Met een babyfoto in zijn kontzak daalt hij de trap af, drieënveertig treden. Voor zijn deur passeren buurtbewoners en dagjesmensen. De stad is onderweg: naar het werk, de sportschool, een koffieafspraak op het terras.

Hij weet precies wat hij zal zeggen, hoe hij daarbij zijn armen naast zijn lijf zal houden. Niet over elkaar, dat vindt hij ongepast. Toegankelijk, zo wil hij overkomen. In de spiegel heeft hij het geoefend. Schouders laten hangen, borst vooruit, een lichte knik in zijn knieholtes, gewoon ontspannen.

Hij heeft zijn 501 aangetrokken, een witte blouse uit de kast gehaald. Hij kijkt naar links, dan naar rechts en weet dat het elk moment gaat gebeuren. De fietsers bellen, de dag begint.

Maar eerst blijft hij nog even staan.

Dood

‘Ik wilde dood’, zegt Boris.
Samen liggen we aan het water met links van ons de sluis. We zijn hier heen gefietst met de wind in onze haren, mijn bikini onder mijn jurk en hij die schreeuwde dat ik niet zo hard moest. Dit is zijn plek, daar waar hij komt om uit te rusten. Om alles te vergeten.

Het is middag, de zon staat hoog, zijn benen bungelen over de rand van de kade. Hij heeft een kussen gemaakt van zijn tas en kijkt omhoog. Daar is de lucht blauw, geen wolken.
‘Er zijn veel manieren, hele forums. Wist je dat?’
Ik draai me op mijn zij en kijk. Naar zijn grote lippen, de haartjes in zijn rechteroor, naar zijn wimpers die onnatuurlijk lang zijn.
‘Je hebt van die idioten die er anderen mee lastig gaan vallen. Ik bedoel, je zal maar voor een trein springen. Dan bezorg je zo’n machinist een levenslang trauma.’
Ik doe mijn ogen dicht en luister. De sluiswachter roept door de megafoon dat iedereen ‘aan moet sluiten’ en met een licht Amsterdams accent ‘kom op dames en heren, niet zo treuzelen’.

‘De meeste mensen nemen een overdosis van het één of ander. Paracetamol, Ibuprofen. Het kan zeven uur duren voordat je er niet meer bent. Als het mislukt heb je er een leven lang last van.’
Er vliegen vogels over waarvan ik de namen niet ken. Ik bedenk dat ik van veel dingen niets weet. Niets over sluizen en niets over zelfmoord.
‘En dan kun je jezelf natuurlijk ophangen, of vereeuwigen door van een hoog gebouw af te springen. Van het Hilton bijvoorbeeld, zoals Herman Brood dat deed.’
‘Is dat wat je wil?’ vraag ik. ‘Dood gaan?’
Boris fronst, een ernstige groef tussen zijn beide wenkbrauwen, te diep voor zijn tweeëndertig jaar jong.
Boris is zo’n man waarnaar ik opkijk, en ook al zorgt opkijken naar vrienden niet voor een gelijkwaardige vriendschap, bij Boris kun je daar niet omheen. Hij heeft bovenarmen waar iedere vrouw in wil knijpen, of nog liever door vastgepakt wil worden. Ik niet. Misschien klikt het daarom zo goed. Zijn we om precies die reden onafscheidelijk, al zo’n jaar of vijf.
‘Laatst hoorde ik over cyaankali. Dat is een speciaal soort poeder. Hitler en zijn maten gebruikten het in de Tweede Wereldoorlog. Huppa, meteen naar de klote.’

Boris – denk ik. Mijn Boris. Een man met een vaste baan, al sinds zijn vierentwintigste. En ook met een appartement in een rustig deel van de stad. In de zomers staan we op zijn dakterras, daar leggen we ieder jaar een moestuin aan. Een terras vol munt, aardbeien en courgettes, en met wel duizend tomaten. Soms denk ik dat ik hem ken. Dat duurt dan maar even.
Hij heeft grijze ogen, maar soms veranderen ze naar blauw, afhankelijk van het weer, de lichtval. Voor zover ik weet komt hij uit een fijne familie. Zo’n gezin dat doet aan familiedagen. Maandelijks een zondag en dan fietsen op de Veluwe. Jeu de boules, taart, Het Witte Fietsenplan. Over dat laatste kan zijn vader uren uitweiden. Dat heeft hij mij zelf verteld.
‘Hier’, hij wijst naar de sluisdeuren die opengaan. ‘Hier wilde ik dood.’
Het water kolkt, de boten beginnen te varen. Er zwaait een vrouw met een zonnebril naar ons. Ze smeert zich in met olie en eet olijven uit een plastic bakje. Haar man toetert en steekt zijn duim omhoog.
‘Als, dan wilde ik hier vanaf springen. ’s Nachts natuurlijk, niet overdag, niet tussen de schippers. Maar ja, dat leek mij mooi. De verdrinkingsdood.’
Het stel vaart nu de sluisdeuren uit. Ze worden kleiner en kleiner.
‘Ze zeggen dat je allerlei kleuren ziet, maar dat weet ik niet zo zeker. Ik weet alleen dat je hartslag vertraagt. En dat je bloed zich rond blijft pompen tussen je hart, je hersenen en je longen.’

Het begint te waaien, eerst zacht, dan iets harder. De wind van het IJsselmeer blaast over het IJ. Boris duwt mijn los vliegende plukjes haar terug. Hij duwt ze weg uit mijn gezicht. Dat is mijn lievelingsgebaar van alle gebaren die Boris kan maken. Het wegstrijken van mijn haren, ze vastmaken achter mijn oorschelp.
‘Je longen sluiten zich ter hoogte van je stembanden. Op die manier adem je geen water in.’
Ik concentreer mij op zijn vingers achter mijn oren.
‘Je snapt waar ik heen wil. Je weet wel; zuurstofgebrek. Je raakt bewusteloos.’
De sluis is inmiddels leeg. Uit de verte komen nieuwe boten aangevaren. Grote en ook kleine, veel kinderen ergens op een dek.
‘Misschien kun je het ook anders opvatten’, zeg ik. ‘Iets lichter, bedoel ik. Het leven, en zo.’
Ik wijs naar de boten. Naar het in- en uitvaren, het wachten ertussenin. Naar de blote kinderlichamen in oranje zwemvesten, en het schaterlachen.
‘Ja’, zegt Boris. ‘Het grote wachten.’
‘Precies’, zeg ik. ‘Wachten, maar altijd blijven opletten.’
‘De kleine momentjes’, antwoordt Boris.
Hij pakt zijn telefoon, gebaart dat ik schuin moet blijven zitten. Dan maakt hij een foto van mijn oorschelp. Van de haren die hij opnieuw wegduwt en van zijn eigen vingers, die hij ook fotografeert.
‘En om op je vraag terug te komen; nee. Dood gaan wil ik niet meer. Dat was toen. Daarna leerde ik jou kennen.’

Dit verhaal is ook te lezen op de website ABCyourself

Verdomme

De ruimte was groot en licht en de stoel waarop Boris zat was paars. Paars stond voor rust, wist hij, al was die rust soms ver te zoeken.
Elke dinsdag nam hij plaats in diezelfde stoel en altijd waren ze met zijn achten. Hij, de groep en de twee begeleiders. Zo hadden de vrouwen zich aan het begin voorgesteld: ‘Wij zijn jullie begeleiders, niet jullie ‘psychologen, ook geen ‘therapeuten’.’
Meestal, wanneer hij daar zat, trok hij zijn voeten op. Veilig, zijn knieën dicht naar zijn neus. Nooit was er iemand die daar wat van zei.

Van alles had Boris geprobeerd. Op gesprek bij een zeventiger waarvan hij zijn meesterwerk over ‘het brein’ als enige niet had gelezen. Boris’ dossier was hem, zijn psychiater, opgevallen. ‘Een interessante casus’ had hij hem genoemd. Schaamteloos, de eerste keer dat ze tegenover elkaar plaatsnamen. Hij stelde suffe vragen, die kon iedere eerstejaars psychologie klakkeloos uit het lesboek overnemen, vond Boris. Dat je goed kunt schrijven betekent niet dat je ook kunt communiceren.
Daarna volgde een periode waarin hij thee dronk uit een bloemetjes mok ergens op een zolderkamer. Met die therapeute praatte hij over goede boeken, theaterstukken, films, maar tot de kern kwamen ze niet. En dan was er nog die vakantie op een Grieks eiland, alleen. Daar waar hij in paniek raakte toen de supermarkt op zondag dicht bleek, want Pasen.

Nu was het dinsdag, week vijfentwintig, en zat hij opnieuw in de paarse stoel. Met zijn rug naar de muur en pal tegenover een groot raam. Het was net elf uur geweest en een van de begeleiders zei: ‘Ik wil dat jullie terug gaan naar je kindertijd.’
Daar had hij vandaag geen zin in.
‘Ervaar het speelse, de tevredenheid die je toen kon voelen.’
Speelsheid – dacht Boris. Seks ja. Zijn ex. De manier waarop ze klaarkwam, haar mond een schreeuwende O. Hoe haar nagels op zijn rug, en de krassen op zijn huid daarna. Aan seks wilde hij nu niet denken.

De begeleider beet op haar nagels. Onverzorgde nagels, zag hij.
‘Speelsheid, houdt die speelsheid vast. Wat komt er naar boven?’
Foto’s. De albums die zijn moeder lang geleden bijhield; pagina’s vol.
Hij als jongetje van vier in een tuinbroek.
Hij in Artis met een raketje-ijsje in zijn hand.
Hij achterop een scooter via grindpaden naar onbereikbaar maar toch bereikbare stranden.
‘Denk aan jezelf als dat jonge kind.’
Om hem heen werd naar buiten gestaard. Een enkeling had zijn ogen gesloten.
‘Voel de onbezorgdheid van toen. De tevredenheid van het nog-niet-weten.’
De wijzers van de klok links van hem tikten. Hij hoorde het luchtrooster, de opengaande en sluitende deuren van een voorbijrijdende tram.
Hij dacht – Dit is week vijfentwintig en ik ben moe.
‘Neem die tevredenheid mee in de rest van je week.
Hij dacht – deze week lukt me dat verdomme niet.

Dit verhaal is ook te lezen op de website AbCyourself

Naakter

We liggen in bad. Je hebt je sokken nog aan. Je bent naakter dan ik je ooit heb gezien. Op die sokken na dan.
We hebben de deur op slot gedaan en je zegt: ‘ik wil iets. Ik wil dat je mij vingert. Met de juiste muziek aan.’
Je draait je MacBook naar je toe, wankel op de badrand. Die ijverige blik tijdens het zoeken in je afspeellijst. Alsof je nu moet scoren: een tien in mijn waardering. En dat daar dan alles van afhangt. Je wacht, klikt, laat je terug in het water zakken, dieper nu.
The National.
Ik ken ze niet. Hun naam wel. De muziek ook. Maar niet de gezichten die bij de nummers horen. Het plaatje vormt geen geheel aan de binnenkant van mijn hoofd. Bovendien is het water warm. Te heet. Want jij houdt van vijfenveertig graden. Een extreem rode huid. Ik ook wel, dat is het niet, alleen kan ik er minder goed tegen.
Ik denk aan het hier en nu. Dat ik vaker in het hier en nu wil leven.
Hier. Nu. De deur op slot. Je ouders beneden. Wij, en verder helemaal niets.
Je vraagt: ‘wat vind je ervan, dit liedje?’
Ik hum.
Je zegt: ‘Ik heb ze live gezien, een aantal keer.’
Ik wiebel met mijn grote tenen, mijn rug tegen de kuip gedrukt en jij tussen mijn benen. Je haren plakken nat en piekerig in mijn gezicht.
Je huilt.
Ik heb je nog niet vaak zien huilen. Twee keer, misschien drie? Na acht maanden samen pas voor de eerste keer. Daarom ben ik telkens verbaasd. Ook nu weer.
Je huilt en je fluistert dat je blij bent. ‘Zo verschrikkelijk blij’, zeg je, door de uitgelopen mascara. Ik vraag waarom die tranen en je zegt: ‘Het is zo Godverdomme mooi allemaal en ik ben bang dat het ophoudt.’
Ik veeg je tranen weg. Met mijn badvingers, die rimpelen zoals de vingers van oude mensen dat ook doen.
We luisteren samen, aandachtig, naar iets van een bas met onze ogen gesloten en ik bedenk dat ik van je hou. Ja. Ik hou van je. En ik durf dat niet te zeggen. Als je opstaat in de ochtenden en je tanden poetst en er eigenlijk niet uitziet. Als je adem naar de kroeg ruikt, van de avond ervoor. Als je lacht om een grapje van iemand anders, dat je eigenlijk helemaal niet grappig vindt.
Ik hou altijd van je.
Zelfs als je schreeuwt omdat ik bijvoorbeeld later thuis kom, en jij mij eerder verwacht had. En ook als ik je niet meeneem naar het gezelschap van mijn vrienden omdat ik soms gewoon liever alleen wil gaan.
Ik hou van je, ik hou van je, ik hou van je, ook wanneer je berichtjes krijgt van dat andere meisje. Zij, dat kind van je werk. Ja, zélfs als je daarop antwoordt en dan zegt dat het niets betekent en ik weet dat je liegt. Ik hou zo verschrikkelijk veel van je, dat ik je wil vergeven wanneer je met dat meisje in een andere stad loopt en ik daar via via achter moet komen. Ik heb het wachtwoord van je e-mail onthouden en ik heb s’ nachts, toen je sliep, je telefoon gestolen. Ik heb haar berichtjes naar jou gelezen. Ik heb gezien dat ze je mist. En jij haar ook. Het stond in het mapje sent messages.
Je drukt je rug harder tegen mijn buik nu en omhelst met je voeten mijn wiebelende grote tenen. The National zingt niet meer, het water is al lauw.
Je zegt: ‘Ik wil dat je mij vingert.’
En ik. Ik stap uit bad.

Dit verhaal is ook te lezen op de website ABCyourself

Afscheid

De begrafenisondernemer zegt mijn naam. Nog nooit ben ik naar voren gevraagd om te spreken in een kerk. Maar zoals het vandaag gaat had ik het mij niet voorgesteld. Want dit is iets voor later, wanneer mijn eigen ouders de leeftijd bereiken dat het hoort: sterven.

Zes dagen eerder ging de telefoon. Het was zondagochtend, veel te vroeg. Op het scherm verscheen het nummer van zijn moeder, dat ik ooit, ik weet niet meer waarom, heb opgeslagen. Voor noodgevallen, misschien. Omdat Boris en ik behalve onze vriendschap niets, nee helemaal niemand, delen. ‘Lieverd’, sprak ze. Haar stem klonk zacht en gecontroleerd. Alsof ze zich concentreerde als een hardloper die wacht op het startschot van zijn eindsprint. ‘Ga even zitten.’

Buiten, naast mijn huis, speelden kinderen in de aangrenzende speeltuin. Ze riepen door elkaar heen, schreeuwden ANNEMARIA KOEKOEK.
Ik stond bij het aanrecht naast het open keukenraam en staarde naar mijn handen die twee hardgekookte eieren omklemden.
‘Boris’, zei ze, en ik bedacht hoe zij in haar woonkamer stond, of in de keuken net als ik, haar gsm tegen haar oorschelp gedrukt.
‘Boris is overleden.’
Ik ben gaan zitten. Naast het kookeiland, op de parketvloer.
‘Een hartstilstand. Zomaar, uit het niets.’

Nu sta ik helemaal vooraan, achter het spreekgestoelte. Voor mij zitten de honderdvijftig aanwezigen in kerkbanken, naast mij staat zijn kist met aan weerszijden twee witte kaarsen. De kist is van licht hout en zonder versieringen. De deksel hebben ze gesloten en er bovenop prijkt een hart van roze rozen. Iemand naast mij vertelt dat zijn moeder het zelf heeft gemaakt, dat hart. De rozen drukken elkaar bijna uit het gareel binnen de vorm waarin ze maar net passen. Precies zoals Boris mij een week eerder tijdens ons afscheid, we gingen uiteten, onhandig tegen zich aandrukte. Hoe dat voelde alsof mijn ingewanden uit mijn borstkas werden gelanceerd. Ik kon geen kant op. Ik vond dat fijn.

Op de plek waaronder zijn voeten nu liggen staan twee ingelijste foto’s. Eentje is een close-up, dezelfde als op zijn rouwkaart. De ander voluit, hij in een tweedelig pak. Op beide foto’s draagt hij zijn haren lang, glanzend en blond vallen ze langs zijn slapen. Ik pestte hem daar wel eens mee, zei dan dat hij er uitzag als een corpsbal. Dat hij zijn woonplaats, Bergen, eer aandeed. Als antwoord kreeg ik rollende ogen. Niemand rolt met zijn ogen zoals Boris dat deed. Verontwaardigd, maar altijd gevolgd door een kleine lach.

Ik heb een brief geschreven. Op dik goudgeel papier. Zes kantjes met herinneringen aan onze avonturen. Zo gingen we met de auto naar het strand, middenin de nacht. Vaak om hard te lopen, maar meestal om uit te waaien. Met een thermoskan thee en een grote rol koekjes. Daar deelden we verhalen van de dag, klaagden over iedereen behalve over onszelf. En over onze tijd in Berlijn. Het Erasmus-semester voor onze studie Duits. De avond waarop we opzoek gingen naar het graf van Marlène Dietrich. Hoe Boris mij in zijn zwartfluwelen pak hees, gewoon, omdat zoiets wel in stijl moest gebeuren. Hoe hij foto’s van mij maakte naast Dietrichs zerk. Maar alleen op de momenten dat er geen voorbijgangers langs kuierden, want we gedroegen ons nu eenmaal als idioten.
Dat alles vertel ik. Voor Boris, en voor mij. Maar het meest nog voor zijn moeder die op de eerste rij zit en haar handen gevouwen in haar schoot houdt.

Vanmorgen, twee dagen na de begrafenis, smeerde ik een boterham.
Ik opende de keukenlade, zocht naar een mes. Daar vond ik ze terug: de twee hardgekookte eieren.

Dit verhaal is ook te lezen op de website ABCyourself

Winterverhaal

Ze staan tegenover elkaar in een keuken van iemand anders. Hij leunt met zijn linkerhand op het aanrecht, de ander in zijn broekzak. Naast hem flessen wijn en schalen met zelfgemaakte hapjes. Er staan kaarsen, een heleboel. Kandelaren in de vensterbanken en theelichtjes onder glazen stolpen. De gordijnen van dik donker velours hangen dicht. Er wordt een zwart-wit film gedraaid, een Tsjechisch winterverhaal, geprojecteerd op een groot scherm.
Het moment waarop hij op haar afstapt, na de vertoning en de magere gespreksstof tussen mensen die elkaar nauwelijks kennen –waar woon je, wat doe je?- is moeilijk te zeggen. De overige genodigden wekken nauwelijks zijn interesse. Door de jaren heen is hij daar beter in geworden: selecteren. Vertrouwen op zijn gevoel. De eerste ingeving, meestal de juiste.

Zij, ze valt hem op. Ze draagt iets dat hem bevalt: lang, groen, elegant. Het zwiert om haar voeten, de stof, in gevecht met haar enkels. Een jurk zoals hij in lange tijd geen jurken heeft gezien. Een exemplaar zoals zijn moeder die vroeger droeg, al maakt het hem bang dat zij hem aan zijn moeder doet denken. Ook heeft ze ogen van glas, haast doorzichtig, alsof ze ieder moment met een caleidoscoop de binnenkant van zijn hoofd binnendringt, daar doorheen zelfs, de gedachten er uit zuigend. En dat terwijl hij de meeste dagen zelf niet eens weet wat hij denkt.
Naast de vrouw ontdekt hij nu een meisje, schouderlang haar, donker en golvend, een jaar of negen. Die blik, vol weet van de wereld. Wijs en nieuwsgierig, doortastend, absoluut niet verlegen.
‘Waarom kijk jij naar mijn moeder?’
Was iedereen maar zo direct – denkt hij.
‘Waarom kijk jij naar je moeder?’
De dochter, ze bijt op haar lip. ‘Om haar jurk. Zo groen als zeewier. Omdat ze op een zeemeermin lijkt.’ Ze houdt haar handen in haar meisjeszij.
‘En alle andere dagen?’
‘Omdat ze van mij is.’
Hij denkt – die dochter. Zelfs haar wil ik leren kennen.

Wat ze willen drinken, vraagt hij. Omdat hij niets beters weet te vragen.
‘Bloed’, zegt de dochter. ‘Een glas vol.’
‘OK.’ Hij knikt en ontkurkt een fles,  schenkt een bodempje in, draait de kraan open en verlengt de rest met water.
‘Op vampierdochters’ en klinkt zijn glas tegen dat van haar.
Zo staan ze daar, gedrieën, en praten. Over de school van het meisje, de vrienden die ze heeft gemaakt, over de landen waar ze gewoond hebben en waar ze nog naartoe willen verhuizen. En over de vader die er niet meer is, wel ergens, maar in een ander land, in het oosten van Europa. Daar waar de kelders diep zijn en de cafés onder straatniveau liggen. Daar waar tot in de vroege ochtenduren op vergeten snaarinstrumenten wordt gespeeld. En gedanst tot alle voeten moe zijn.
‘Ken je de gardon?’ vraagt de dochter.
Nee, dat instrument kent hij niet.
‘Het is een cello met drie snaren. Je moet er op slaan met een stok en er aan trekken met je vingers.’
‘Klezmermuziek?’ vraagt hij.
‘Klezmer’, zegt haar moeder.

Als de avond ten einde loopt en de dochter op de bank in slaap is gevallen, vraagt hij het haar, de moeder. Of ze hem nog een keer wil zien. Hij zoekt een pen, vindt er een in de zak van zijn colbert, schrijft zijn nummer in de palm van haar hand.
‘Tegen de tijd dat we thuiskomen’, ze knikt naar haar dochter, ‘zijn de cijfers opgelost. Je weet wel, winterzweet van het fietsen. De warmte van mijn handschoenen.’
Hij zegt: ‘Onthoud het dan. Ik wil met je dansen. Op Klezmer. In alle cafés onder straatniveau. Op alle dagen en tot het eind van mijn leven.’

Dit verhaal is ook te lezen op de website ABCyourself

“Laten we eerlijk zijn: als ik een Duitse herder had gekozen, was niemand geïnteresseerd geweest.”

In De Kangoeroekronieken wordt er op een middag aangebeld bij de Duitse schrijver Marc-Uwe Kling (1982). Daar staat hij dan, zijn nieuwe buurman: een kangoeroe. Het beest is overtuigd communist, luistert naar Nirvana en heeft gestreden in de Vietcong. Om het allemaal nog bonter te maken trekt hij bij de schrijver in.  

In april verscheen de Nederlandse vertaling bij uitgeverij De Harmonie. Ter ere hiervan trad Kling samen met Erik van Muiswinkel op in Boom Chicago.

Beiden lazen voor uit Klings werk. De dag erna geeft hij een interview in het hotel waar hij verblijft. Hij is “een beetje moe van gisteravond” en neemt plaats in een fauteuil met uitzicht over de gracht.

We moeten het toch even vragen. Waarom een kangoeroe? “Ja, dat wil iedereen altijd weten. Laten we zeggen dat de kangoeroe daadwerkelijk bestaat. Hij heeft écht bij mij aangebeld. Van de ene op de andere dag kreeg ik een nieuwe huisgenoot.” Kling slaat zijn benen over elkaar, bestelt thee en kijkt ernstig. “Laten we eerlijk zijn: als ik een Duitse herder had gekozen, was niemand geïnteresseerd geweest.”

Het nut van voorrang van rechts

De Kangoeroekronieken is een enorm succes in Duitsland. Van het boek werden een miljoen exemplaren verkocht, van het luisterboek gingen net zo veel exemplaren over de toonbank. Voor Kling bekendheid verwierf met zijn kangoeroeverhalen stond hij op de planken. In 2003 trad hij voor het eerst op met een groepje studievrienden: als kleinkunstenaar, poetryslammer en liedjesschrijver. Zijn teksten trokken de aandacht. Hij werd opgepikt door de Berlijnse radiozender Fritz. Hier kreeg hij zijn eigen podcast getiteld Nieuws van de Kangoeroe. Na De Kangoeroekronieken (2009) verschenen Het Kangoeroe Manifest (2011) en De Kangoeroe Openbaring (2014).

Het verhaal is verdeeld in tachtig kleine hoofdstukken bomvol opmerkelijke dialogen. Er komen uiteenlopende thema’s aan bod. Van het internet tot lanterfanten, Robbie Williams, schulden, zelfhulpboeken, therapie, God, en het nut van voorrang van rechts. Kling geeft een flinke dosis kritiek op onze hedendaagse politiek en maatschappij, en doet dat door de ogen van de kangoeroe. Hij behoudt daarbij altijd een grappige ondertoon. “Depressieve boeken vind ik maar zozo. Stel dat je drie jaar wijdt aan het schrijven van een depressief boek, dan moet je daarna van de opbrengt de psycholoog betalen. Nee, doe mij maar wat humor.”

Fade-outs

De fascinatie voor taal begon al vroeg. Kling: “Thuis werd veel gelezen. Ik denk dat de voorliefde daar is begonnen.” In De kangoeroekronieken worden verschillende vertelperspectieven met elkaar afgewisseld. Gemakkelijk schakelt Kling van een ik-perspectief naar een hij-perspectief. Een ander hoofdstuk is geschreven in filmscript-stijl, inclusief close-ups en fade-outs. Klings werk is opgebouwd uit meerdere lagen. “Aan de oppervlakte is mijn verhaal grappig, waardoor veel kinderen het ook leuk vinden om te lezen.” Toch gaat zijn werk dieper dan dat, zo behandelt hij ook zwaardere thema’s waaronder het communisme. “Van ouders krijg ik wel eens te horen dat kinderen in discussie willen gaan over Karl Marx en zijn manifest. Dat vind ik een eer.”

Lanterfanten

De kangoeroe heeft als personage erg uiteenlopende eigenschappen. Hij is belezen, maar tegelijkertijd kinderachtig en lui. Verbeeldt hij jouw generatie in Duitsland? “In het algemeen is mijn generatie kinderlijker dan die van mijn grootouders. Wij mogen meer en hebben toegang tot ontzettend veel informatie. Kijk naar het internet, daar ligt alles voor het oprapen. Daardoor kunnen we ook luier zijn. Zelf ben ik niet lui, maar een ontzettende workaholic. Ik kan heel goed zonder slaap.”

“Wanneer ik werk blokkeer ik het internet. Daar zijn speciale apps voor. Als ik eerst e-mails moet beantwoorden ben ik al hersendood. Meestal leid ik mezelf af met de grootste onzin: YouTube-filmpjes, de laatste uitspraken van Trump.” En als u dan eenmaal zit? “Ik schrijf tot vroeg in de middag. Als ik een goed hoofdstuk heb neergezet ben ik de rest van de dag goedgehumeurd. Ik schaaf aan een verhaal tot het moment dat het naar de drukker moet. Eenmaal bij de drukkerij rijd ik er eindeloos heen om veranderingen aan te brengen. Ik heb tot de eenentwintigste oplage van De Kangoeroekroniekendelen herzien. Je kunt wel zeggen dat ik een verschrikkelijke perfectionist ben.”

God

God speelt een grote rol in uw boek. “Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin. Religie is altijd een deel van mijn werk geweest. Als je een stap terug doet en het geloof van bovenaf bekijkt zijn het absurde rituelen die daar geuit worden. Het heeft mij nooit belast, want ons gezin was niet streng gelovig. Vandaag de dag ben ik geen fanatieke atheïst, want ik vind dat er ook positieve interpretaties van religie bestaan. Het kan ook een identiteit bieden voor mensen die dat nodig hebben. De laatste jaren ervaren we een zekere heropleving van religie, parallel aan een heropleving van het nationalisme. Mensen worden overvallen door de snelle ontwikkelingen in de wereld: toenemende globalisering, maar ook digitalisering en automatisering. De wereld waarin we nu leven is niet meer de wereld waarin we opgegroeid zijn, waardoor mensen zich weer tot het geloof keren. Natuurlijk is het beter als men zijn weg vindt tot het geloof dan tot het nationalisme, maar uiteindelijk hebben we gewoon een nieuw positief verhaal nodig. In Duitsland wordt dat op dit moment niet aangeboden door de regering. Ze zijn visieloos. Dat heeft tot gevolg dat men zijn identiteit ergens anders zoekt.”

Bi-trans-metro-seksueel

In het Duits heb ik bewust voor de neutrale benaming gekozen. Het is “das” Kangoeroe, het persoonlijk voornaamwoord is altijd “het”. Ik wilde het geslacht open laten. In de Engelse vertaling was dat een enorm probleem. Stel, je komt de buurman tegen en hij heeft zijn hond bij zich, dan kan je zijn hond onmogelijk met ‘it’ aanspreken. ‘It’ werkt beledigend. Het was dus heel moeilijk te kiezen voor een geslacht. Ik heb in het belang van de vertaler toch voor ‘it’ gekozen, juist omdat ik het geslacht heel bewust niet wilde vaststellen. Daarnaast is de kangoeroe mannelijk noch vrouwelijk, maar bi-trans-metro-seksueel. In het derde boek, De Kangoeroe Openbaring, heb ik daar een heel hoofdstuk over geschreven. Dit om in strijd te gaan met de hele hokjes problematiek.

Filmrechten

In oktober verschijnt in Duitsland zijn vierde boek, een toegift. In Nederland moeten we nog even wachten tot de vertalingen van Het Kangoeroe Manifest en De Kangoeroe Openbaring in de boekhandel te vinden zijn. De filmrechten van De Kangoeroekronieken zijn inmiddels verkocht, de opnames beginnen eind deze zomer. De film wordt geregisseerd door Dani Levy, Kling schrijft zelf het scenario. Ben je geïnteresseerd geraakt? Hop uit je buidel en koop zijn boek.

Dit artikel is ook te lezen op de website van Uitgeverij de Harmonie.

Jungle By Night over ‘hun’ Paradiso

Jungle by Night, de negenkoppige Amsterdamse band, is 29 maart één van de openingsacts van Paradiso’s 50e verjaardag. Acht jaar geleden presenteerden ze hun eerste single ‘Release’ in de bovenzaal. Nu spelen ze geregeld voor een uitverkochte zaal beneden. Wij spraken Bo Floor (trompettist), Jac van Exter (gitarist) en Sonny Groeneveld (drummer) over dat wat Paradiso heeft betekend voor hun carrière, onvergetelijke herinneringen aan de poptempel en over een ander Amsterdams iconisch podium.

Paradiso 50 jaar. Samen met MY BABY en Ronnie Flex verzorgen jullie de openingsavond van het feestweekend.
Bo: “Een ontzettende eer. Zelf heb ik op het Barlaeus Gymnasium gezeten. Vanaf mijn dertiende keek ik via mijn klaslokalen uit op de ingang van Paradiso. In mijn tussenuren hing ik met vrienden op de kade aan de rechterkant van het gebouw. Het is de plek waar ik mijn eerste joints heb gerookt en wodka heb gedronken. In onze beginjaren werden we ook wel de Barlaeus-schoolband genoemd, maar daar klopte niks van, want ik ben de enige die er op school heeft gezeten.”
Jac: “Onze eerste vinyl single ‘Release’ vond plaats in de kleine zaal. Vanaf dat moment speelden we er ieder jaar. Zes jaar lang traden we op tijdens Felabration, een avond ter ere van Fela Kuti, Godfather van de Afrobeat. Verder hebben we er een albumrelease gehad, deden we Five Days Off, Ticket to the Tropics en vele andere concerten. Ik voel me daarbinnen ontzettend thuis.’

Hoe is Jungle By Night eigenlijk ontstaan?
Sonny: “Voordat Jungle By Night in het leven werd geroepen (2009) hield ik mij al bezig met funk samples. Een vriend gaf mij op mijn verjaardag concertkaartjes voor The Budos Band. Hij had ze net ontdekt op vinyl. Ik vond hun instrumentale muziek ontzettend energiek en vroeg me af waarom er in Nederland niet iets soortgelijks bestond.”
Jac: “We zijn een bij elkaar geraapt zooitje vrienden, broertjes en neefjes. Allemaal crossverbanden. Het is één ding om elkaar te vinden, bij elkaar blijven is een grotere uitdaging. Ons is het gelukt.”

En dat begon allemaal in een kelder?
Sonny: “Op het Prinseneiland heeft mijn vader een analoge studio. Het werd onze eerste repetitieruimte. We kwamen er de eerste vier jaar elk weekend samen. Destijds kon dat tot 04:00 ’s nachts, nu hebben we nieuwe buren, die waarderen dat minder. Wanneer we klaar waren fietsten we naar Pacific Parc op het Westergasterrein. Bo niet, die was pas veertien, hij moest vroeg naar bed.”
Jac: “Ons eerste echte doel was om op te treden tijdens de Aprilfeesten. Grote gezelligheid op de Nieuwmarkt, destijds nog een kleinschalig buurtfeest. We deelden elkaar high fives uit toen we een toezegging kregen. Op de dag zelf speelden we om 17:00u in de kleinste tent. Daar zijn we gescout. Kort daarna stonden we als voorprogramma in de Melkweg.”

Wat zijn jullie eerste herinneringen aan Paradiso?
Sonny: “Ik was elf en met mijn neef op pad. We gingen naar een concert van mijn vader (saxofonist Rinus Groeneveld) in de bovenzaal. Beneden speelden de Fun Loving Criminals. Het rook er enorm naar wiet en er waren mosh pits aan de gang.”
Bo: “Ik stond al eerder in Paradiso met de bigband van de Amsterdamse Muziekschool. Ik zat in een doorstroomafdeling van jazzbands. De avond werd mede mogelijk gemaakt door de bekende Jazz appels uit Australië. Peter Greedy, de baas van onze afdeling, had contact gelegd met het merk om een concert voor ons te organiseren. Ik stond op de aankondigingsposter, had witte kleren aan en engelenvleugeltjes op mijn rug. In mijn hand hield ik een Jazz appel.”

De eerste keer Jungle By Night in Paradiso.
Bo: “Dat was in de kleine zaal. Zelfs mijn oma uit Zweden, toen negentig jaar oud en steunend op haar rollator, was aanwezig. Er hing een intense blijheid, iedereen gunde het ons.”
Jac: “We hadden een show gebouwd met allemaal planten. Ook werd er een leeuwenkop opgehangen. De ouders van Ko (trombonist) zaten in de Dogtroep, een oud muziektheatergezelschap. Zij hadden allerlei spullen in huis die we mochten gebruiken.”
Sonny: “De broer van Ko had voor de singlepresentatie Indonesische maskers meegenomen. In een pak met veren kwam hij op het podium staan. Hij legde de single op een platenspeler en wij begonnen te spelen. Zo leek het of de single door ons werd gespeeld.”

Wat zijn jullie ervaringen binnen Paradiso?
Jac: “De mensen die er werken zijn fantastisch en erg Amsterdams qua attitude. Zeker de eerste keer dat we er optraden, in 2010, dachten ze vast – wat zijn dit voor kinderen? Kees Heus, de programmeur, was ons eerste contact. Hij had via demo-opnames van ons gehoord. Nog voordat we een manager hadden, brachten we samen met het eigen label van Paradiso onze eerste vinyl uit. Zij gaven ons echt de ruimte.”
Sonny: “Ik herinner mij ‘het fruitincident’ aan het begin van onze carrière. In onze kleedkamer was het nogal uit de hand gelopen, fruit uitgesmeerd over de muren. Het jaar erna kregen we geen fruitschaal. We waren daar best van geschrokken.”
Bo: “We maakten het goed door een fruitmandje met kaart langs te brengen. Sindsdien is onze relatie met Paradiso nog beter geworden.”
Jac: “Vorig jaar heb ik zelfs met Mark Minkman (directeur Paradiso) zwaardvis staan bakken op Into the Great Wide Open.”

Is het de zaal, de akoestiek… wat maakt de poptempel zo bijzonder?
Bo: “Het is een combinatie van factoren. Het voelt als een echte kerk met al dat glas. Ook weet je dat alle grote namen er hebben gestaan. Elke keer wanneer we er spelen zijn al onze familieleden en vrienden aanwezig. Net een thuiswedstrijd, maar dan met extra veel druk om te presteren.”
Sonny: “Het is mijn lievelingszaal van alle zalen waar ik ooit heb gespeeld. Wanneer je de soundcheck doet, denk je vaak – “OJEE, dat is wel erg veel galm!”. Wanneer we bezig zijn is dat helemaal verdwenen. Zeker sinds het nieuwe soundsysteem.”
Jac: “Soundchecken in Paradiso is intens. Het geluid klinkt altijd lekker vies. Het galmt, er gebeurt van alles tegelijk. Het feit dat het publiek boven je kan zitten maakt het ook intiemer.”

Wat kunnen we op 29 maart verwachten?
Sonny: “We zijn bezig met wat nieuwe nummers. Op het podium spelen we met een andere energie dan op onze platen. Live is er vaak rauwheid die niet perse werkt op een album. On stage kun je makkelijker versnellen en vertragen, op een plaat kan dat al snel rommelig klinken.”
Jac: “Als je op een festival de afsluiter bent kun je niet veel rustige tracks spelen. Met clubshows en in Paradiso kan het wel.”
Bo: “Men heeft vaak een ander beeld bij wat we maken. Mensen categoriseren ons snel onder Afrikaanse muziek, vooral wanneer ze ons nog nooit live hebben gezien. Toch gaan onze afgelopen drie albums een hele andere kant op, met invloeden uit hiphop, psychedelische 60´s dub en Turkse funk.”

Eind dit jaar spelen jullie op een nog een bijzondere, Amsterdamse locatie.
Jac: “Op 24 november staan we in Carré. We vinden het heel leuk om onszelf en anderen te verrassen. Zo ook met deze unieke locatie. In de afgelopen acht jaar hebben we een heleboel aparte dingen gedaan. We speelden met een dansgroep, het Nederlands Blazers Ensemble en deden samenwerkingen met Jiggy Djé en Jan Akkerman. Ook presenteerden we eens een album in Trouw. Carré is een leuke nieuwe stap, zelfs de stoelen gaan er in november uit. We hebben nog negen maanden om er keihard aan te werken. We kijken er enorm naar uit. Maar eerst Paradiso!”

Paradiso viert op 29, 30 en 31 maart haar 50e verjaardag. Aansluitend op dit openingsweekend wordt in het Amsterdam Museum de tentoonstelling Paradiso 50 Jaar georganiseerd. Die is te bezoeken tot 19 augustus.

Dit artikel is ook te lezen op de website van I Amsterdam.